Stil Hoekje

achtentwintigste zondag door het Jaar C    

Naar Jeruzalem
We zitten op het goede spoor. Jezus op weg naar Jeruzalem. Daar begint Lucas’ evangelie en het hele verhaal is vol spanning naar zijn sterven en verrijzen toe. Het verhaal van de reiniging van de tien melaatsen staat in het licht van de gang naar Jeruzalem.

Melaats
Het is bekend dat de lijders aan deze ziekte buiten de gemeenschap worden gesloten. Des te vreemder dat tien van deze mensen Jezus tegemoet komen en ontmoeten. Welk dorp, in het grensgebied van Samaria en Galilea? Dat grensgebied is de plek waar één Samaritaan van de groep komt bedanken en de andere zijn dus blijkbaar geen Samaritanen.

Een vreemdeling is hij
Voor dat buitenland heeft Lucas een warme belangstelling. Al van in het begin noemt hij Sarepta en Sidon en Naäman. Hij maakt door het verhaal van een man uit Samaria duidelijk wie de naaste is. In de Handelingen zal Lucas dit wijde blikveld openhouden: ’getuigen zijn tot aan het uiteinde der aarde!’
En bij de eerste verkondiging buiten Jeruzalem zal het weer Samaria zijn, waar diaken Filippus de verkondiging aanvat.

Tien is voldoende
Tien melaatsen komen naar Jezus toe. Tien mensen die uitgesloten zijn van de gemeenschap, maar met hun tienen zijn ze juist weer een gemeenschap. Met tien is men precies ook genoeg om een ‘synagoge’ te vormen. Het is een groep met gemengde samenstelling. Jezus maakt er als het ware een nieuwe gemeenschap van door ze te genezen. Hij stuurt ze naar de priesters, een gebruikelijke procedure. Op weg naar de tempel worden ze genezen, ook de Samaritaan, de vreemdeling.

Genezen
Een van de tien merkt dat hij genezen is. Genezen is een werkwoord waarvoor Lucas een voorliefde heeft. ‘Genezen’ heeft een lichamelijke betekenis en maakt concreet zichtbaar wat reinigen en redden betekent.

Looft God
Hij looft God met luide stem. Het is het antwoord op het luide smeken om medelijden, genade van de onreine gemeente. Deze vreemdeling mag dan ook het woord horen:’ Sta op en verrijs!’
‘Uw geloof heeft u gered’ zegt Jezus. Deze woorden klonken ook bij de bloedvloeiende vrouw. Ook die vrouw krijgt de opdracht te gaan in vrede.
Met dezelfde woorden krijgt de Samaritaan de opdracht ’te gaan’, nu zonder het toevoegsel ‘in vrede’. Opgaan naar Jeruzalem is de weg van de vrede gaan. Deze Samaritaan, een ‘vreemdeling’ op Israëls grond is opgenomen in de gemeenschap die opgaat naar het huis van de Heer zoals een psalm zo vol overtuiging zingt.

Amand Decock

Zoeken

blank