Stil Hoekje

Zestiende zondag door het Jaar

Aan het meer

De passage vandaag bevat drie parabels: van het zaad dat vermengd raakt met het onkruid, die van 
het mosterdzaadje dat uitgroeit tot een grote boom en tenslotte die van een vrouw die het zuurdesem 
door het meel kneedt. De wereld die Jezus schetst is herkenbaar. De evangelist benadrukt ook dat 
de parabels verborgen diepten hebben. De leerlingen komen uitleg vragen over de eerste parabel, 
klaarblijkelijk de enige waarvan zij de diepte niet verstaan.

Vragen genoeg
Het is een alledaagse parabel. Toch zullen Jezus’ toehoorders ook met stijgende verbazing geluisterd hebben.
Er zitten ongebruikelijke elementen in:
-Waarom zou de baas zelf zaaien, hij heeft toch knechten en maaiers?
-Hij heeft ook kennis van het onkruid. Hij noemt dat het werk van de vijand. Hoe kan dat? Het was nacht en iedereen sliep.                             -Waarom heeft de vijand het zich zo moeilijk gemaakt? Hij had ook kunnen 
vernielen, verbranden, vergiftigen of wat dan ook. Zaaien is namelijk zo arbeidsintensief, 
onzeker en je moet lang wachten tot het opkomt en zien of het zijn werk doet. En dat nog in de 
nacht ook. Begrijp je dat de leerlingen uitleg vragen?

Verrassende uitleg
De akker is de wereld. De zaaier is de Mensenzoon. Het goede zaad de kinderen van het koninkrijk,
het onkruid de kinderen van de duivel. De vijand is de duivel. De oogst is het einde der tijden. De maaiers de engelen.
Hier nog niets verrassends Maar het element tijd. Er zit een spanning tussen het nu en het einde der tijden. In de werkelijke
wereld zouden zij nu het onkruid wieden, verzamelen en verbranden. De parabel verbeeldt zich een einde der tijden.
 

De knechten
willen nu zelf iets doen wat hen niet past. Het is aan de eigenaar.
Hij zal het nu niet doen, maar straks, tenslotte. Zouden de knechten het wel nu zelf doen,
dan zou het ten koste gaan van de oogst. Eigenlijk oordelen zij
niet mis. Zij willen iets doen, energiek en plichtsgetrouw. De eigenaar zegt desgevraagd: ’Nee, niets doen, nu!’
 

Beeldspraak
De Mensenzoon - die heel zijn doen en laten afstemde op het goede en het verdrijven, helen
en vergeven van het kwade - zegt tegen zijn volgelingen dus dat ze niet in actie moeten komen om
het kwaad met wortel en tak uit te roeien. Dat zullen Jezus’ toehoorders niet direct als Gods
woord willen horen. De volgelingen moeten toch op de Meester lijken.
 

De reden
Onkruid en tarwe zijn in elkaar verwikkeld. Haal je het uit elkaar, dan raken ook de wortels
van de tarwe kapot. Met het oog op de groei van het goede moet het kwade dus (voorlopig) blijven.
Het onkruid schijnt zeer te lijken op de tarwe. Dus wachten. Het kwaad is ook zo subtiel. Het
lijkt een parallelle wereld aan die van het goede. Net als bij het goede zaad is hier sprake van een
zaaier, van ontkiemen en groeien en wachten op de oogst. Deze wereld heeft alleen een andere
intentie: het goede uiteindelijk vernietigen.
Niets doen
Het gebruikte werkwoord hier is ‘loslaten’, maar dat Griekse woord heeft de bijklank van vergeven.
Dat is hier niet onbelangrijk. Wie de strijd tegen de uitroeiing van het kwade moet loslaten,
staat voor de opgave de wereld (of God) te vergeven voor de voortdurende mengeling van goed en kwaad.
 

Amand De Cock, pr.
 

Zoeken