Stil Hoekje
Negenentwintigste zondag door het jaar
Farizeeën en Herodianen
Nu moet de grote slag geslagen worden. Twee clubs die meestal niet door dezelfde deur kunnen,
wagen het er samen op. Ze willen Jezus op zijn woord pakken.
Jezus heeft al het tempelplein schoongeveegd en toen ze met Hem daarover op verhaal kwamen,
antwoordde Hij in gelijkenissen. Veronderstel maar dat ze daarvan niet veel begrepen hadden,
maar één ding wel; dat zij van Jezus geen mooie rol zouden mogen spelen in dat koninkrijk
van God, dat aankwam. Dat drijft de twee in elkaars armen.
Onmogelijk geval
Ze overladen Jezus eerst met complimenten en vragen:’ Is het geoorloofd de keizer belasting te
betalen of niet?’Bij zijn mogelijk ‘ja’ zouden de Farizeeën hem beschuldigen van collaboratie met
de Romeinen en waarom niet zelfs van afgoderij. Bij een ‘nee ‘ keert Hij zich tegen de overheerser
en hangt Hij in de val van de Herodianen.
Het gaat niet lukken
Vooraleer Jezus antwoordt hebben ze al verloren. De inleidingswoorden geven al aan dat Jezus
de waarheid zoekt, de weg van Gods koninkrijk leert en zich niet laat beïnvloeden, omdat Hij
geen mens naar de ogen ziet. Wie een vraag stelt aan iemand met die kwaliteiten, kan toch
niet verwachten dat er een simpel ja of nee zal klinken. Maar hun vraag zelf is niet
scherp: gaat het over een burgerlijke of religieuze wet? Wat willen de mensen weten? Geven ze
al niet op voorhand de uitweg aan Jezus?
Het antwoord
Op het plein was elk Romeinse munt verboden. Deze munten kon men omruilen, want ze
droegen de beeltenis van de keizer en men noemde de keizer goddelijk. Joodse gelovigen kennen
één God en ze mogen geen beeltenissen maken van levende wezens. Jezus heeft deze munt
niet op zak. De tegenstanders wel. Dus is het met de slag duidelijk wie hier de wet overtreedt.
Jezus neemt het woord en spreekt over die munt. Hier noemt Hij die niet mammon.
Het beeld van de keizer noemt Hij ook geen afgodsbeeld.
Slot
‘Geef aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat van God is.’ Men zegt hiervan:’ Jezus
scheidt religie en politiek van elkaar. Gelovigen hebben te maken met de spelregels van elk
van deze gebieden en dienen voor wat het betalen van belasting aangaat geen aanstoot te geven.
Zij leefden echter in de verwachting van de komst van het koninkrijk van God en konden
in de verleiding komen nu alvast de wereldlijke koninkrijken te negeren.’
Conclusie
Jezus antwoordt geen ‘ja ‘ of ‘nee’ op de vraag die Hem wordt gesteld. Hij raakt niet verstrikt
in de val die ze hem gezet hebben. Zij kwamen eigenlijk niet om iets te leren over God of het
koninkrijk; maar ze komen te staan voor een religieuze, existentiële vraag: ‘Welke heer dien
ik eigenlijk? Aan wie behoor ik echt toe? Wiens beeld draag ik bij me?’
De valse vraag keert Jezus om in een echte. Het antwoord ligt ver voorbij ‘de keizer’.Dit is de kern
van het verhaal.
Amand De Cock, pr.
Zoeken