Stil Hoekje

STIL HOEKJE  12 juli 2020

Vijftiende zondag door het Jaar

Niet in goede aarde
Langzamerhand is het de leerlingen van Jezus duidelijk geworden dat Jezus’ persoon en boodschap niet bij iedereen in goede aarde valt. Matteüs laat onze tekst van deze zondag voorafgaan door twee grote breuken(met de farizeeën en met zijn familie, zie hoofdstuk 12)
De boodschap van het evangelie lijkt op weerstand te stuiten en deze weerstand lijkt sterk genoeg om de boodschap krachteloos te maken.
Deze vijandigheid en oppositie tegen zijn boodschap doet Jezus van strategie veranderen. Hij zal vanaf nu gelijkenissen gebruiken.
Gelijkenissen
Ze zijn altijd gebaseerd op een beeld of relatie uit het dagelijkse leven. Het zijn niet zomaar simpele vertellingen. Ze gaan over de geheimen van het koninkrijk van de hemel en het is lang niet aan iedereen gegeven om ze te begrijpen.
Alleen Jezus’ leerlingen zijn daartoe in staat, omdat zij inzien wat het geheim van het koninkrijk is, namelijk dat het in Jezus nabij gekomen is.
Goddelijk inzicht
Het inzicht is namelijk door God gegeven om de gelijkenissen te kunnen verstaan. De mensenmassa daarentegen is door haar ongeloof ‘ziende blind en horende doof’. Verder schildert Jezus nogmaals het contract tussen de leerlingen en de mensenmassa. De leerlingen zien wie Jezus werkelijk is en nemen zijn woorden ter harte.
Bevoorrechte mensen
Ze mogen nu in Jezus aanschouwen en mogen van Hem horen, datgene waar vele profeten en rechtvaardigen naar hebben uitgezien om te horen en te zien. In Jezus’ woorden worden profetieën vervuld en breekt Gods rijk van gerechtigheid in de wereld aan. Wie Jezus op afstand houdt, doet voor zichzelf de deur dicht naar Gods rijk; maar die Hem in geloof aanvaardt, wordt in de geheimen ervan ingewijd.
Op de toehoorders gericht
De eerste gelijkenis wil niet op het koninkrijk inzoomen, maar op Jezus’ toehoorders. Ze vormt de opening van alle volgende gelijkenissen, omdat deze duidelijk maakt dat er iets mis is met het luisteren naar en het begrijpen van Jezus’ toehoorders. 
Het beeld van de zaaier moet in die tijd voor de toehoorders een bekend beeld zijn geweest. Het beeld van de kleine akkertjes. Het zaad heeft de kans tijdens het zaaien op vier soorten grond terecht te komen: langs de weg, op rotsachtige grond, tussen de distels en op goede vruchtbare grond.
Op de weg
Het was niet te voorkomen. Er liepen landwegen langs de akkers of door de akkers. De grond was hier plat getrapt, waardoor het zaad gemakkelijk voedsel voor de vogels was. Bijna in iedere akker was ook een gedeelte te vinden waar de rotsbodem maar nauwelijks door de aarde bedekt werd. Het zaad kon er wordtel schieten, maar net niet diep genoeg om de aar tegen de hitte van de dag bestand te laten zijn.
Ook goede grond
Vaak was er nog een deel van de akker waar het groeien van het onkruid hardnekkig was en moeilijk te bestrijden, omdat pas na het zaaien de akker werd geploegd. Gelukkig viel ook een deel van het zaad op de goede, vruchtbare grond, waar het, hier in de gelijkenis, een zeer rijke oogst voortbracht.
     

Amand De Cock, pr.