GOD IS MENS GEWORDEN… EN NU?

GOD IS MENS GEWORDEN… EN NU?

Het Feest van de ‘onnozele’ kinderen
Drie dagen na Kerst vieren we wat in de volksmond het ‘Feest van de onnozele kinderen’ wordt genoemd. Ik heb het er moeilijk mee. Je noemt niemand onnozel. Zeker geen kinderen. Ook niet om hun streken, hun nog beperkte vermogens of hun ongerepte naïviteit. Gelukkig brengt de taalkunde soelaas. ‘Onnozel’ is in het oud-Nederlands de vertaling van het Latijnse innocens, dat ‘onschuldig’ en ‘onschadelijk’ betekent. Op 28 december vieren we het ‘Feest van de onschuldige kinderen’.

Maar ook met deze benaming zit het niet helemaal snor. We vieren niet; we gedenken. We gedenken de brutale moord op enkele tientallen kinderen. Volgens het evangelie van Matteüs greep angst koning Herodes naar de keel, toen hij hoorde over de ‘pasgeboren koning van de joden’. Ziekelijk paranoïde en waanzinnig belust op macht droeg hij de drie wijzen op een onderzoek in te stellen naar de plaats waar hij het kind kon vinden. Zo kon hij het elimineren vòòr het hem – zo dacht hij – van de troon zou stoten. Het behoorde tot zijn werkmethode. Wie hem in de weg stond, bekocht het met zijn leven. Ook zijn vrouw en vier van zijn zonen moesten het ontgelden. Maar in een droom gewaarschuwd gingen de drie wijzen langs een andere weg naar hun land terug. Gek van woede om het ‘bedrog’ gebood Herodes daarop alle jongetjes van twee jaar of jonger in Bethlehem en omstreken om te brengen.                      Heeft deze wreedheid of iets ervan zich werkelijk voorgedaan? We weten het niet. Historici uit die tijd vermelden het niet.
Maar Matteüs’ geboorteverhaal is niet bedoeld als geschiedschrijving zoals wij dit vandaag verstaan. Het is een ouverture, een inleiding op de rest van het evangelie. Het biedt ons een leesbril aan. Het vertelt dat Jezus helemaal van Godswege is en nodigt uit tot geloof in Hem. God is in Hem naar ons toegekomen. Hij is afgedaald en mens geworden. Hij heeft zijn goddelijke majesteit afgelegd, zich klein gemaakt als een hulpeloos kind. Hij biedt zich aan zonder enig machtsvertoon. Hij nadert ons in een beweging van nabijkomen en terugtrekken tegelijk. Hij palmt onze ruime niet in en respecteert onze vrijheid volkomen. We kunnen Hem ontvangen, maar ook de deur wijzen.                                                                                                        Dit is de vraag waar het na de jingle Bells van Kerst om draait: laat ik, nu God onder ons is komen wonen, Hem inwonen in mij? Laat ik Hem de tempel van mijn hart bewonen zodat ik op Hem kan gaan gelijken? Ga ik samen met Maria de weg van ontvankelijkheid, zodat ook ik leven mag baren en de wereld een teken van Gods ontferming mag schenken? Of wijs ik net als Herodes Gods Zoon de deur? Zoek ik mezelf het leven te geven en geef ik daarbij mijn angsten en instinct van zelfbehoud vrije baan?                                                                        Het antwoord op deze vraag maakt het gelaat van deze wereld uit. Waar het hart zich sluit voor Hem die het bewonen wil en angst het van vertrouwen overneemt, worden mensen geslachtofferd, de zwaksten op kop. Dan sterven kinderen de hongerdood en worden vluchtelingen uitgespuwd. 
 

Mag de ‘Dag van de onschuldige kinderen’ ons herinneren aan alle slachtoffers van het door angst verteerde en versteende hart. Mag de ‘Dag van de onschuldige kinderen’ ook een uitnodiging zijn om Gods Zoon te laten indalen tot in de krochten van ons hart, zodat het een gastvrije ruimte wordt voor wie kwetsbaar zijn, op de dool, hunkerend naar een onderdak om te schuilen.

Antoon Arens